💎 PREMIUM: Search/label/Maksim%Gorki - Complete Album!

Posts tonen met het label Maksim Gorki. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Maksim Gorki. Alle posts tonen

zondag 8 maart 2020

Dissidente stemmen in de ontluikende Bond van Sovjetschrijvers (°)

— Partijman Andrej Zjdanov en auteur Maksim Gorki op de tribune van het Eerste Congres van de schrijversbond. —

IN 1931 KEERT schrijver Maksim Gorki uit de emigratie naar de Sovjet-Unie terug. Daar zit hij in 1935 het eerste congres van de Bond van Sovjetschrijvers voor. Op die bijeenkomst wordt een kwalijk zaadje geplant: het zal niet langer de auteur zijn die bepaalt wat hij schrijft, het is… de staat. 
Velen zien het drama niet aankomen. Ilja Ehrenburg: ‘Globaal was het een goede tijd en we dachten allemaal dat we tegen 1937, wanneer het Tweede Congres van de bond zou doorgaan, in een paradijs zouden leven.’ Zeker, de congresgangers zien wel dat er belangrijke afwezigen zijn (Achmatova, Mandelstam, Boelgakov, Platonov) maar die afwezigheid wordt gecompenseerd doordat de vrije schrijver Babel er is, naast andere onafhankelijke auteurs als Zosjtsjenko, Pilnjak en Pasternak. Er zijn ook grote alom gerespecteerde schrijvers uit het buitenland. 
Wie daar ook is, is de geheime politie. Die kan een pamflet, bestemd voor de buitenlandse gasten, onderscheppen:
‘Wij Russische schrijvers zijn als prostituees in een bordeel, met als enige verschil dat zij hun lichaam te koop stellen en wij onze ziel; zoals er voor hen geen weg uit het bordeel mogelijk is, tenzij door de hongerdood, zo geldt dat ook voor ons. (…) 
In uw landen richt u talrijke comités op om de slachtoffers van het fascisme te redden … Maar waarom zien we van uwentwege geen enkele activiteit om de slachtoffers te redden van het Sovjetfascisme dat door Stalin wordt uitgeoefend; deze echt wel onschuldige slachtoffers zijn talrijker dan alle slachtoffers sinds het einde van de wereldoorlog over de hele wereld samengeteld.
Begrijpt u welk spel u speelt? Of prostitueert u, net als wij, uw gevoeligheid, bewustzijn en plicht? In dat geval zullen wij u dit nooit vergeven.’
Er is niet alleen dat anonieme pamflet. Sommige sprekers gebruiken ten volle het laatste moment dat ze hebben om vrij te spreken. ‘Het kan niet’, zegt Ilja Ehrenburg, ‘dat de literaire kritiek op een werk meteen de sociale positie beïnvloedt van een schrijver die daar niet afhankelijk van zou mogen zijn.’ Iedereen begrijpt dat ‘literaire kritiek’ op de partij slaat. Joeri Oljesja, die veel invloed onder schrijvers heeft, spreekt zich ondubbelzinnig uit tegen een opgelegde praktijk van het socialistisch realisme: ‘Dit was niet mijn thema. Ik had naar een bouwproject kunnen gaan, in een fabriek onder arbeiders gaan wonen, ze in een schets hebben beschreven, zelfs in een roman, maar dit was niet mijn thema, het zat niet in mijn bloedbaan, dat was geen deel van mijn ademende zelf. Ik zou hebben gelogen, verzonnen; het zou mij gemankeerd hebben aan wat inspiratie wordt genoemd.Boris Pasternak waarschuwt vanaf de tribune: ‘Hef je individualiteit niet op omwille van je status. De kans dat je een literaire hoogwaardigheidsbekleder wordt is dan te groot. Hou je ver van zo’n vleierij.’ Isaak Babel gebruikt een eenvoudige metafoor: ‘We spreken hier ondraaglijk luid over liefde … Als het zo doorgaat, gaan we onze liefde op den duur door een megafoon moeten roepen.’ De zaal begrijpt dat Babel de voortdurende lofzangen op Stalin bekritiseert. Een verklikker noteert wat Babel van het congres vindt: 'We moeten de wereld de eensgezindheid van de literaire krachten in de Unie tonen. En aangezien dit alles kunstmatig, onder bedreiging van de stok gedaan wordt, is het congres zo dood als een tsaristische parade en het spreekt vanzelf dat niemand in het buitenland erin gelooft.' (°°) Het is ook daar dat Babel zich bekent tot ‘het genre van het zwijgen’. Otto Schmidt zegt letterlijk: ‘Ons werk heeft de interventie van de leider niet nodig. Dit zijn geen methoden. Ik wil het niet zeggen, maar dit zijn vreemde methodes van een buurstaat.’ De vergelijking met een fascistische buurland is gedurfd, de zaal juicht. 
Maar hier passen deze woorden van A.L. Snijders: ‘[M]aar dat alles is troost, (…) dat is de wereld van de woorden. Dat is de wereld die je nodig hebt  om overeind te blijven in de echte wereld, maar die echte wereld is onoverwinnelijk.’. Het zijn niet deze kritische schrijvers die de lakens in de bond gaan uitdelen, het is de secretaris, Alexandr Sjtsjerbakov, stalinist tot in de kist. Het is de stalinist Andrej Zjdanov die op dat congres, in teksten als deze, de lijntjes uitzet. Buiten die lijntjes kleuren is voortaan levensgevaarlijk. 
Men schat dat de bond bij de start zo’n 2.200 leden telt. Eduard Beltov komt tot de conclusie dat er tijdens de hele Stalinperiode 2.000 schrijvers gearresteerd worden, waarvan de helft omkomt in de kampen van de goelag. In 1988 staat in de Russische Literaturnaya gazeta dat 90 procent van degenen die de bond in 1934 vervoegden in de goelag terechtkwamen of neergeschoten werden.

(°) John & Carol Garrard. Inside the Sovjet Writers’ Union. 1990. I.B. Tauris & C° Ltd. London. 303 pp.
(°) Op p. 118 In Solomon Volkov. Sjostakovitsj en Stalin. De kunstenaar en de tsaar. Sovjetcultuur in de jaren '30 en '40.Vertaling Henne van der Koog. De Arbeiderspers A'dam / A'pen. 


dinsdag 3 september 2019

Het breukpunt van Maksim Gorki: schrijver wordt bureaucraat

— In 1929 bezocht Gorki het kamp Solovki, deel van de goelag. De schrijver was populair bij velen die daar gevangen zaten. Zijn bezoek plaatste hem echter aan de kant van de bureaucratie. Gorki publiceerde een verslag over zijn bezoek, waarin hij het kamp prees als teken van Sovjetkracht, zonder enige verwijzing naar de verschrikkelijke omstandigheden waarin de gevangenen leefden. Gorki's 'verslag' markeert het moment waarop hij zijn volk verraadt en de tirannie verschoont. —

IN DE BIB overloop ik de titels van ’s mans werken. Ze bevinden zich alle in het magazijn, er wordt nauwelijks naar gevraagd. Ooit was dat wel anders.
In 1902 realiseert Gorki een enorm kassucces met een van zijn toneelstukken. Zijn literair agent, die we als Parvus kennen, zamelt het geld in waar de auteur wereldwijd recht op heeft. Die Parvus verdient daar zelf niet onaardig aan, een commissie van 20 percent. Van de resterende tachtig krijgt Gorki een vierde, driekwart gaat naar de partij van Lenin.
Gorki steunt de communisten al vóór de revolutie: ‘Vanaf 1903 beschouw ik mezelf als een bolsjewiek.’ (°) Geen partijlid, wel mecenas. Niet dat hij blind is voor de duistere kant van de politiek. In 1909 schrijft hij aan Lenin: ‘Soms schijnt het me toe dat elke mens voor jou niets meer is dan een fluit waarop je een of andere melodie speelt, en dat je elkeen beoordeelt vanuit het oogpunt van zijn of haar nut voor het uitvoeren van jouw doelstellingen, opinies en taken.’
Het zijn constanten in Gorki’s leven: hij blijft de partijleiding steunen én hij probeert onafhankelijk te blijven. Dit is wat hij daarover aan zijn vrouw schrijft: ‘Het is mijn intentie om met de bolsjewieken samen te werken, op autonome basis.’ Trotski spreek over een ‘fellow traveler’.
Sartre zegt dat een intellectueel iemand is die zich druk maakt over zaken die hem niet aangaan, Dat zal ook Lenin over Gorki gedacht hebben wanneer hij deze brief leest: ‘(…) ik ben geen politicus, en ik ben niet stom, zoals politici dat vaak zijn. Ik weet dat u het gewoon bent om “de massa’s te bewerken” en een persoon is voor u een non-entiteit (…) ik ben een dwaze artiest, maar een grotere rationalist dan u. (…)’.  Of deze, waarin Gorki zich tegenover Lenin uitspreekt over diens kompanen: ‘Ah, moest je eens weten welke dieven het zijn. En welke opstandige bourgeois ze over twee, drie jaar gaan worden.’ Gorki begrijpt de dingen niet goed, meent Lenin en hij raadt zijn pennenvriend aan om te emigreren — even goede vrienden.
Maar beschikt Gorki nog over zijn ‘autonome basis’ wanneer hij in 1931, op uitnodiging van Stalin, naar Rusland terugkeert? Hi wordt in 1934 de eerste voorzitter van de Bond van Sovjetschrijvers. Journalist Arkadi Vaksberg haalt een uitspraak aan die zegt dat dit het moment is waarop de kleinburger in Gorki het haalt van de schrijver: ‘De onafhankelijke, trotse, en verziende auteur veranderde in de spreekbuis van het gezag. “Hij deed zichzelf vergeten,” zegt de toneelschrijver Leonid Zorin, “dat een schrijver nooit mag toestaan dat hij een dienaar wordt (…)”

(°) De citaten komen uit Arkady Vaksberg. The Murder of Maxim Gorky. A secret Execution. 2007. New York, Enigma Books. 421 pp. Over dat boek heb ik hier eerder al een stuk gepost.
(°°) In Leon Trotski on Literature and Art, pp 218-220.

woensdag 26 april 2017

De schrijver en de maarschalk


— R.B. Kitaj, Isaac Babel Riding with Budyonny 1962. Olie op doek. — 

Mijn favoriete schrijver is Isaak Babel (1894-1940), een Rus wiens aanbevelenswaardige werk volledig in het Nederlands beschikbaar is. (°) Uiteraard is dat oeuvre ook in het Engels vertaald en zo’n vertaling kun je hier gratis van het net halen; 1072 bladzijden, legaal te downloaden. (°°)
Een belangrijk deel van ‘s mans verhalen is geïnspireerd door de Pools-Russische oorlog (1920), waaraan hij als reporter voor de krant van het kozakkenleger deelneemt. Tijdens die veldtochten houdt Babel een dagboek bij. De aantekeningen verwerkt hij tussen 1923 en 1925 in verhalen die als de ‘De rode ruiterij’ wereldbekend worden.
Om een scherper gevoel van realiteit in zijn verhalen te creëren plaatst Babel verzonnen personages naast bestaande. Maar ook de bestaande namen slaan op iets wat Babel verzint. Dat weten we door de discussie die deze ‘Babelse’ strategie achteraf oplevert.
Generaal Semjon Boedjonny, de bevelhebber van de cavalerie, een man die het uiteindelijk tot maarschalk schopt, wordt in de verhalen vaak voorgesteld als brutaal, onhandig en besluiteloos. Babel houdt de gek met diens onnozele en onopgevoede kozakkentaal. De schrijver borstelt de wandaden van dat kozakkenleger ook niet onder de mat, integendeel, hij legt er een ferme schep bovenop. Daar kan die Boedjonny niet om lachen. Op het net vind ik een thesis (°°°), die daar iets over zegt. Budyonny is zeer ontstemd door Babels beschrijving van zichzelf en zijn mannen. In twee artikels reageert de bevelhebber op Babels Rode ruiterijIn 1928 schrijft Boedjonny een brief naar Maksim Gorki die het eerder al voor Babel opgenomen heeft. Over Babels verhalen zegt Boedjonny: ‘Hij vindt dingen uit die nooit plaatsgevonden hebben, hij slingert vuil naar onze beste communistische bevelhebbers, geeft zijn verbeelding de vrije loop, liegt gewoon…’ Gorki dient de generaal van antwoord: ‘Laat me toe u te zeggen, kameraad Boedjonny, dat de botte en ongerechtvaardigde toon van uw brief een onverdiende belediging is voor een jonge schrijver. (…) Een schrijver is een mens die (…) de kleur van de verbeelding gebruikt om in de lezer een reactie te activeren van liefde of haat.’ Wat daar staat is dit: in een verhaal is het literaire effect belangrijker dan het historische feit. In die zin is een verhaal het omgekeerde van een nieuwsbericht, want daar is het feit uiteraard belangrijker dan het literaire effect.
De kozakkenverhalen van Babel hebben me dat geleerd. Sindsdien verhouden werkelijkheid en verbeelding zich ook in mijn verhalen veelal op soortgelijke manier tot elkaar. Vlaamse schrijvers die veel relevanter zijn dan ik passen die ‘Babelse’ strategie eveneens toe. Je treft het ook aan in de boeken van Dimitri Verhulst en Herman Brusselmans. Zonder gevaren is dat niet. Brusselmans kreeg er een rechtbankveroordeling voor aan zijn broek, Verhulst kreeg de toorn van zijn familie over zich heen. Ook mij heeft het al wat narigheid bezorgd, zoals blijkt uit het stukje dat ik gepost heb onder de titel Lapkoes weg uit Zeewacht. Maar dat alles is uiteraard slechts kattenpis met wat Babel overkomen is.

(°) Isaak Babel, Verhalen. Meulenhoff, A'dam. 2001. 573 ps.
(°°) Isaak Babel, The Complete Works of Isaac Babel. Edited by Nathalie Babel. With an introduction of Cynthia Ozick. W.W. Norton & Company, New York London.
(°°°) Daniëlle van Osch. Writing by dictation. A study in the Soviet literary policy of the 1930’s. Geen verdere specificaties.

zaterdag 23 juli 2016

'Ik vraag maar één ding. Laat me mijn werk afmaken.'

— Maksim Gorki (links), met Genrikh Yagoda, zijn vermeende moordenaar. —

Wanneer het sociale leven een rustig beekje is dat naar zijn onbekende maar verafgelegen monding kabbelt, heeft het kunstbedrijf niet erg veel om ’t lijf. Deze publiceert een boek, gene produceert een doek, de componist rijgt de noten aan elkaar en de beeldhouwer kapt & last wat hem belieft… Stormen veroorzaakt het zelden of ’t zou, tijdens de vernissage, in een glas cava moeten zijn.
Wanneer het sociale beekje evenwel een waterval nadert, wordt de kunstenaar, net als iedereen, door het kolkende water meegesleurd. Betekenis overspoelt je roman. Mensen horen in je muziekstuk iets wat niemand eerder daarin heeft opgemerkt. Alles wat de kunstenaar nu maakt, wordt toegevoegd aan — en versterkt — de kolkende massa water, op weg naar wat onbekend is, maar wel gevaarlijk dichterbij komt. Het kunstwerk krijgt in die omstandigheden, zo maakt deze spetterende metafoor duidelijk, een voorheen ongeziene betekenis, en daarmee verwerft ook de maker ervan een indrukwekkende positie.
Dat verklaart het bijna onverklaarbare. Kunstenaars die de kans krijgen om aan die vernietigende waterval te ontsnappen, blijken dat niet te doen. Zij die door het woeste watergeweld op de oever gesmeten worden, springen, vreemd genoeg, weer in de kolkende stroom. Met alle gevolgen van dien.
Eerder heb ik hier en daar al over Isaak Babel (1894-1939) geschreven, mijn lievelingsauteur. Babel had Stalin kunnen ontvluchten, maar hij heeft het niet gedaan. Uit Parijs is hij vrijwillig naar zijn land teruggekeerd en hij heeft dat met de dood bekocht. Zijn laatste woorden: 'Ik vraag maar één ding. Laat me mijn werk afmaken.' Ook over Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975) heb ik her en der al een stukje geschreven. In dat laatste heb ik het over een merkwaardig toeval, waardoor Sjostakovitsj in 1937 op het nippertje aan een gewisse dood ontsnapt. Waarna de componist naar huis gaat en daar doet wat Isaak Babel ook had willen doen: zijn werk voortzetten.
In de Stalinbiografie die Trotski geschreven heeft, blijft mijn oog hangen aan de passage waarin de biograaf het over de dood van Maksim Gorki (1868-1936) heeft. Die schrijver is in ’t jaar van zijn dood, zo meent Trotski: ‘noch samenzweerder noch politicus. Hij was een weekhartig oud man, een verdediger van de verdrukten, iemand van sentimentele protesten. (…) Hij correspondeerde met Europese schrijvers; kreeg bezoek van buitenlanders; de verdrukten kwamen bij hem met hun klachten; hij had macht over de openbare mening. (…)’  Wat Trotski vervolgens suggereert is dat Gorki op bevel van Stalin vergiftigd wordt. En dat Stalin vervolgens de uitvoerders van de gifmoord liquideert.
Dat laatste is zeker waar. Er is een proces geweest waarin de vermeende moordenaars terechtgesteld worden. Maar vandaag is er eensgezindheid: Gorki werd door niemand vermoord.
Ik heb zojuist een boek dichtgeklapt dat het daarover heeft. Het is een heel rijk boek en het kan haast niet anders of dat ik het er later nog over heb. Maar de titel — The Murder of Maxim Gorky — waarmaken doet het niet. De lezer heeft al bijna 400 bladzijden achter de kiezen wanneer daar onomwonden staat dat we niet echt weten hoe Gorki om het leven gekomen is. Het is en blijft, zo schrijft de auteur, een raadsel.
Even boeiend is evenwel de vraag waarom Gorki naar Rusland weergekeerd is. Lenin had hem in 1921 naar het buitenland gestuurd. Stalin haalt hem in 1931 terug. Er zijn veel redenen waarom Gorki op Stalins uitnodiging ingaat. Maar een ervan hijst hem tot op het niveau van Babel en Sjostakovitsj: hij wil zijn werk afmaken. Net zoals Babel en Sjostakovitsj dat doen, maakt ook Gorki de woorden van Luther tot de zijne: ‘Hier sta ik, ik kan niet anders’.
Flor Vandekerckhove

° Leon Trotski. Stalin, de man en zijn invloed. 2005. Soesterberg, uitg. Aspect. 575 bladzijden.
° Arkady Vaksberg. The Murder of Maxim Gorky. A secret Execution. 2007. New York, Enigma Books. 421 bladzijden.

vrijdag 12 februari 2016

De moord op Gorki

— Maxim Gorki —
In Moskou overleed op 18 juni 1936 Maksim Gorki. De Russische schrijver was de voorman van het socialistisch realisme. Volgens de Wikipedia gebeurde dat overlijden ‘onder verdachte omstandigheden’.
Op het internet probeer ik iets over die verdachte omstandigheden te vinden. Daar stoot ik op de Red Flag (Rode Vaan), het blad van een politieke partij die als CP (MLM) door ’t leven gaat. Het krantje bloklettert: How Trotsky Murdered Maxim Gorky and Many Others. Hola, dat zijn al geen verdachte omstandigheden meer, dat is regelrechte moord.
Er werd, lees ik in die Rode Vaan, een onderzoek naar die verdachte omstandigheden geopend en dat bracht in 1938 een indrukwekkend complot aan het licht; met name de banden die de Rus Trotski onderhield ‘met Duitse, Poolse en Japanse fascisten, alsmede met de Britse geheime diensten via de Amerikaanse trotskist Max Eastman. Geen klein bier dus en er volgde een proces. De rechters vernamen daar dat Leon Trotski het ook een goed idee gevonden had om de geliefde schrijver Maksim Gorki een kopje kleiner te maken.
— Gorki en Jagoda in 1935. —
De methode die de samenzweerders daarvoor gebruikten wordt in het stuk omschreven als ‘killing by degrees’. Het slachtoffer werd langzaamaan vergiftigd door zijn dokters. Red flag legt van naaldje tot draadje uit hoe die dat geflikt hebben. Waarna de moraal volgt. De trotskisten ‘werden vernietigd in de USSR. Ze moeten overal vernietigd worden. Ze vermoordden de grootste proletarische auteur aller tijden. Nadat Trotski gedood werd moeten we ons afvragen waarom we de rest nog zouden laten leven.’ Ja, dat daar letterlijk. Bij de CP (MLM) leggen ze elke ochtend een trotskist tussen de boterham.
Omdat ik zelf een oude trotskist ben, is het een kwestie die me persoonlijk aanbelangt. De zoektocht leidt me nu naar The Murder of Maxim Gorky, met als ondertitel A Secret Execultion. In dat boek verneem ik dat ook die auteur de mening toegedaan is dat Gorki vermoord werd. Maar, zegt hij, niet door Trotski, wel door… Stalin!
Terug naar de Red Flag. Ene Jagoda zou, opgejut door Trotski, die moord beraamd hebben. Die Jagoda is een hoge pief die onder Stalin wel meer zuiveringen uitgevoerd heeft. Nu wordt hij zelf weggezuiverd. In maart 1938 zit hij, naast 20 anderen, in de beklaagdenbank. Hij bekent dat hij de opdracht voor de moord gegeven heeft, terwijl hij tegelijk zijn onvoorwaardelijke liefde voor Stalin uitschreeuwt. Het mag niet baten, hij wordt geëxecuteerd, net als 17 andere beklaagden, waaronder de bekende Boecharin.
Heeft Jagoga inderdaad de moord bevolen? Zijn bekentenissen blijken waardeloos te zijn. In 1956 geeft Sovjetleider Nikita Chroestsjov toe dat het proces een grote show geweest is, waarbij de beklaagden gefolterd werden en uiteindelijk om het even wat bekenden.
Flor Vandekerckhove

Arkady Vaksberg. The Murder of Maxim Gorky. A secret Execution. 2007. New York, Enigma Books. 421 pp.

zondag 6 september 2015

Schrijvers met snorren



Stijn Streuvels laat me altijd aan Maksim Gorki denken. Komt dat doordat beiden over de werkman schrijven? Misschien wel. Komt het doordat beiden selfmade men in de literatuur zijn? Dat ook. Toch komt 't vooral door hun machtig grote snorren. Telkens ik een portret van Streuvels zie, zeg ik: zo’n snor had Gorki ook. 
Dat laatste blijkt niet te kloppen. Dat zie ik nu ook omdat ik de twee naast elkaar plaats. De indrukwekkende beharing die ze daar hebben is niet deze van een identieke snor. Deze van Streuvels heeft opwaartse uiteinden, Gorki's gaan neerwaarts. In snorrenland is dat een niet onbelangrijk verschil. 
In een boekje (*) dat hij over Streuvels schrijft, vertelt Hedwig Speliers dat hij in 1965 een brief van de Nederlandse Nico Rost toegestuurd krijgt. Die vertelt hem over een bezoek dat hij aan Streuvels brengt en waarbij hem het portret van Maksim Gorki opvalt, dat op Streuvels’ schrijftafel staat.
Blijkt dat niet alleen ik de twee snormannen aan elkaar koppel, Streuvels doet dat zelf ook, door de foto van die andere op zijn bureau te zetten. En Nico Rost doet 't eveneens, hij legt niet het verschil tussen de knevels bloot, maar tussen de manieren waarop de twee over de arbeiders schrijven: ‘Hoe heel anders dan bij de rebel die Gorki was, waren in Streuvels’ boeken de Vlaamse zwoegers, die hun lot droegen met de gelatenheid van het onafwendbare. En in hoevele boeken van Streuvels ontmoette ik telkens weer die erkenning van het “hogere geweld” en de aanvaarding daarvan zonder ook maar het geringste verzet… Altijd weer: dat aanvaarden van maatschappelijke ellende, als normale toestand — altijd dat “fatum”, dat voor ons toch onaanvaardbaar is als eigenlijke oorzaak, want meestal duidelijk ‘definieerbaar’.’ In hetzelfde artikel schrijft Rost nog: ‘Een Gorki was in Rusland mogelijk — Een Streuvels in het katholieke Vlaanderen.’ Niet alleen hun snor, ook het realisme van Gorki en dat van Streuvels drijft hen uit elkaar.

Flor Vandekerckhove


(*) Hedwig Speliers. Omtrent Streuvels. Het einde van een myte. Uitg. Brugge, J. Sonneville, 1968.

woensdag 28 maart 2012

Over behang- en toiletpapier


IK HAD nog maar pas het steengoede boek Ingenieurs van de ziel van Frank Westerman achter de kiezen, toen ik in de krant (DS, 28 mei 2011) een straf citaat van de Gentse fotograaf Carl De Keyzer omcirkelde: ‘De echte kunst is pas begonnen met het ontstaan van de vrije kunst, rond 1900. Voordien werd bijna alle kunst in opdracht van de rijken gemaakt, dus dat was eigenlijk gewoon duur behangpapier, hoe fantastisch het ook is.’
Ik vroeg me af of zo’n boude uitspaak ook voor de literatuur mag gelden. Was dat indertijd niet eveneens een hobby van rijke mensen? En als de oude kunst volgens De Keyzer behangpapier is, hoe gaan we die boeken dan noemen? Toiletpapier?
Daarover werd ook hard gediscussieerd in de begindagen van de Sovjet-Unie, lees ik in Ingenieurs van de ziel.  Dichter Vladimir Majakovski had er een niet mis te verstane mening over. ‘Op alles wat voorafgegaan is zet ik de stempel: nihil,’ dichtte hij. Goed voor de haak in het WC. Ook Maksim Gorki deed er straffe uitspraken over, lees ik eveneens bij Westerman: ‘De negentiende-eeuwse Russen hebben volgens hem waardeloze werken voortgebracht (…)’. Weg ermee!  In 1926 voegde Lenins weduwe dan ook een honderdtal boeken aan de censuurlijst toe, daaronder bevond zich ‘het bedwelmende oeuvre van Dostojevski’. (ik herinner me opeens dat Schuld en Boete ook in de nonnenbibliotheek van mijn kindertijd achter slot zat.)
Revolutionaire tijden vragen revolutionaire antwoorden. De vrije kunst die in het citaat van De Keyzer rond 1900 ontstaat, krijgt in de Sovjet-Unie nieuwe critici: 
‘Veehouders en aardappelpoters, het land nog onder hun nagels, werd gevraagd om opera en ballet te recenseren. Zo waren de tijden. Schuchter schoven ze aan bij Tsjaikovski’s Zwanenmeer in het Bolsjoj Theater.’
‘“Het gaat over de liefde van een prins voor een prinses, en, als gevolg van zijn verraad, over een stervende zwaan. En dat in vier bedrijven,” noteerden ze na afloop op een enquêteformulier.  “Van alle saaie verhalen is dit wel het allersaaiste.  Hier zit werkelijk niemand op te wachten.” (…)’
‘Deze kunstkritiek stond in Arbeiders over literatuur, theater en muziek, een boek uit 1926 waarin het proletariaat afrekent met Poesjkin, Tsjechov, Tolstoy en “alles wat voorbij en afgestorven is”.’
Zelf vind ik klassiek ballet ook slaapverwekkend. Maar zo simpel is het natuurlijk nooit. Ik ploeter vervolgens een wijle door het wereldwijde web en stoot daar op teksten van de Russische criticus Voronski. In een tekst uit 1923 (Sharp Phrases and the Classics, Regarding Our Literary Disagreements) heeft hij het over de waarde van de klassieken. Ik probeer een stukje ervan uit het Engels te vertalen: 
Gribojedov, Poesjkin, Lermontov, Gogol, Tolstoj, Toergenjev en anderen waren dichters en schrijvers uit de lage adel. Dit staat buiten kijf. Betekent dit (…) dat de lezer zichzelf (…) moet bevrijden van hun kunstenaarschap, (…)? Maar ze waren echt grote kunstenaars. (…)  Ze geven niet de volledige waarheid, ze geven slechts een deel ervan.’ Maar, voegt Voronsky eraan toe, ‘dat is de manier waarop het altijd gaat (…).’ 
Begrijp: dat is zo in het verleden, dat is ook zo in de Sovjet-Unie waarin Voronski leeft en schrijft.  Ik zou eraan toevoegen: dat is ook vandaag het geval, ook in Vlaanderen, ook in deze tijden waarin de kunst volgens De Keyzer vrij is. Want kijk, weer valt mij een krantenstukje op. DS van 31 mei 2011 meldt dat de Vlaamse minister-president 2,5 miljoen euro op tafel legt voor mediaprojecten die ‘de positieve beeldvorming rond ondernemerschap bij het brede publiek stimuleren.’ In dat krantenstukje lees ik ook dat o.a. Marc Didden daarbij in de prijzen valt. Hij mag een van de scenario’s leveren. Ik weet niet of De Keyzer zo’n mediaproject tot de kunsten rekent, ik weet niet of een scenario nog tot de literatuur gerekend kan worden en Marc Didden tot het kunstenaarsgild, maar dat krantenberichtje laat me wel aan socialistisch realisme denken, maar dan aan een soort omkering ervan: het ophemelen van de Vlaamse middenstand.

Frank Westerman, Ingenieurs van de ziel, Elfde druk in 2010. Uitgeverij Olympus, Amsterdam.

zondag 5 februari 2012

De graanrepubliek

Flor Vandekerckhove en 
Rik De Coninck (foto Jo Clauwaert)
Diep in de Nederlandse provincie Groningen, waar alles plat is, de mensen stuurs kijken en de graanvelden eindeloos lijken, gaat auteur Frank Westerman op zoek naar materie voor zijn boek De graanrepubliek.
De eerste mens die hij in die haast onmetelijke vlakten tegen het lijf loopt blijkt een anarchist te zijn, een oude turfsteker.  Hij woont daar te midden van het niets, in beschaafde armoede. 
Terwijl Westerman op de enige keukenstoel zit die de man rijk is legt die turfsteker hem uit dat hij ooit de eenakters van Maksim Gorki opgevoerd heeft.  Ah, zo vraag ik me meteen af, waarom kom ik in de West-Vlaamse polders nooit zo’n wonderlijke mens tegen?
Westerman ontmoet in het hoge noorden nog wel meer merkwaardige personages.  We worden deelgenoot van de lotgevallen van de Mansholts, linkse herenboeren waarvan een telg, Sicco, het in Nederland tot minister van Landbouw schopt en zelfs tot Europees Comissaris. Ook Boulo Tijdens blijkt een merkwaardige herenboer te zijn.  Hij verklaart zich in 1886 solidair met degenen die de boerenstand willen onteigenen. Ik denk niet dat Vlaanderen zo’n linkse boeren voortgebracht heeft, maar misschien vergis ik me, ik zal het eens vragen aan mijn makkers die in het boerenmilieu actief zijn. (*)
De merkwaardige gedachten van die Groningse herenboeren leren ons iets over de tijdsgeest die daar in die tijd heerst en die ook deze is waarin de anarchistische (en atheïstische!) dominee Domela Nieuwenhuis succes oogst, een tijdsgeest die maakt dat agitatoren het landelijke Oldambt in Groningen op de rand van de revolutie krijgen.
Westerman volgt enkele stamvaders uit de streek op hun kronkelende levenspad (revolutionaire socialisten worden uiteindelijk vegetarische anarchisten, de ‘gematigde’ socialist Derk Roefs Mansholt roept op tot geweld en straatrellen, woelmaker Tjerk Luitjens wordt uit Groningen verdreven en richt een nudistenkamp op, herenboer Boulo Tijdens die eerst naar een front van boeren, arbeiders en burgers tegen ‘de kapitalisten’ streeft, sticht uiteindelijk een ‘Bond van Orde door Hervormingen’… En dat gebeurt allemaal in een streek waar je tot aan de horizon over de velden kunt kijken.
We volgen met Westerman ook het nageslacht van die merkwaardige boeren en knechten. We komen aan huis bij landarbeider Koert Stek die ook nog in de vroege jaren negentig de Nieuwe Communistische Partij vertegenwoordigt in de gemeenteraad van het landelijke Beerta waar hij met enkele geestesgenoten een sterke fractie vormt.  Maar we volgen vooral Sicco Mansholt die een Europese landbouwpolitiek uittekent, gebaseerd op kunstmatig hoog gehouden graanprijzen. De boeren varen er wel bij, maar uiteindelijk blijkt deze subsidiepolitiek (met zijn graanbergen en melkplassen) onhoudbaar. De boeren mogen protesteren wat ze willen, Europa moet de landbouwpolitiek in 1990 over een andere boeg gooien.  En dan volgt een merkwaardige opmerking van Westerman: ‘Natuurlijk waren alle ogen gericht op de val van het sovjetrijk en zijn satellieten. Maar dat het reëel bestaande socialisme in Oost-Europa gelijk met het West-Europese landbouwbeleid bezweek, was nauwelijks toeval. De eeuw van de grote ideologieën liep op zijn eind, ook Mansholts experiment met de maakbaarheid van het boerenland ging failliet.’
’Aan beide zijden van het IJzeren Gordijn viel de kunstmatig in elkaar gezette samenleving in duigen. En aan dezelfde kwaal; de twee stelsels waren vanbinnen uitgehold, moreel en financieel. Net als Moskou bleek ook Brussel doortrokken van bureaucratie en corruptie.’ (p. 221)

(*) Addendum: Dat is wat ik uiteindelijk ook deed. Ik vroeg het aan enkele makkers die in het boerenmilieu actief zijn. Ik kreeg ook antwoorden op mijn vraag. Het interessantste antwoord kwam van Rik:
‘Mij is zo'n studie over de Belgische situatie niet bekend, waarschijnlijk omdat niemand ooit zo'n diepgravende studie over het Belgische platteland gemaakt heeft. Zeer interessant vind ik de enige goede lokale studie daarover, namelijk van Marcel Olaerts (een licentiaatsverhandeling van 1979) over de pogingen van Anseele om buiten het Gents stadscarcan te breken en de Oost-Vlaamse boeren in 1890 aan zijn kant te krijgen. Die boeren had hij nodig door de kieshervorming waardoor iedere man minstens één stem kreeg (het einde van het kiesstelsel op basis van  belastingen (=censitair kiesrecht) en de invoering van het Algemeen Meervoudig Stemrecht). Anseele en zijn kornuiten zwaaiden met grote principes, maar wisten te weinig van de concrete problemen van de boeren zodat de gealarmeerde kasteelheren en grootgrondbezitters samen met de pastoors de tegenaanval inzetten en hun eigen boerenorganisatie oprichtten. (Dat was los van de Boerenbond dat een Brabants initiatief was.)  Anseele delfde natuurlijk het onderspit. Ik heb wel bewonderend gekeken naar die studie, want Olaerts heeft dat gedaan zonder de beschikking over veel bronnen, maar zijn studie staat er nog altijd!
En dan is er nog dat Daensisme dat algemeen als een Aalsters fenomeen beschouwd wordt. Maar de wortels liggen op het platteland in de Denderstreek. Daar hebben enkele boeren en hereboeren (wat betekenen die termen in die periode? Ik gebruik ze maar omdat ze zo vermeld staan in studies maar volgens mij heeft niemand dat ooit echt onderzocht ) uit de streek van Appelterre de eerste kernen gevormd, waarna, na uitbreiding,  de partij boven de doopvont gehouden werd in Okegem (of all places zeggen ze dan in het Engels). Wel Okegem is een godvergeten gat op nog geen 10 kilometer van Appelterre, net aan de andere kant van Ninove . De eerste verkozene van de partij was niet Daens, begot nee, die komt pas later op het voorplan, maar wel Adolf De Backer, net zoals Anseele een notarisklerk trouwens, een zoon van een kleine boer uit Denderhoutem (ook al zo'n overbevolkt boerendorp met veel kleine  boerderijtjes waaruit velen migreerden naar Canada) die wat had mogen studeren en wiens ongetrouwde ooms en tantes geld leenden aan Adolf om zijn campagnes te betalen. Als je de kans hebt om het programma van de daensisten te bekijken dan zal je zien hoezeer die partij op de boeren gericht was. Dus: Adolf Daens is een later en meer stedelijk hoofdstuk , eerst komt Adolf De Backer met zijn boertjes.
Voor de volledigheid: mijn grootooms waren bodyguards van De Backer, en die had De Backer echt wel nodig als hij na de mis op een stoel ging staan om kerkgangers toe te spreken, maar mijn grootvader moest niets van politiek weten en verhuisde naar Canada. Toen hij 100 jaar geleden met wat geld terugkwam kocht hij het boerderijtje van de bejaarde ongetrouwde ooms en tantes van Adolf De Backer. Het brandde af in 1913.’


Frank Westerman, 1999, De graanrepubliek, 25ste (!) druk in 2010, uitgeverij Olympus. ISBN 978 90 467 2617 4.