| Links, het graf van Myriam Vandekerckhove op het oude kerkhof van Bredene Dorp (het graf bestaat niet meer). Rechts: krantenbericht dat de dood meldt van Arthur, zoon van Nick Cave. |
Mijn makker Gilbert Huysmans⇲ en ik zaten op straat tegen een muurtje naar onze zwarte knieën te kijken. Opeens voelde ik, met een intensiteit die me in paniek bracht, dat ik er dringend vandoor moest, ik voorvoelde echt dat er iets ernstigs gebeurd was. Ik liet de verbouwereerde Gilbert achter en liep als de weerlicht naar huis. Daar stond de pastoor. Hij had mijn ouders de nare mare gebracht, mijn zusje was overleden.
Voor wat het waard is: ik sta in deze achter Goethe. De gang naar de zondagsmis van Nick Cave ergert me, zijn respectvolle interesse voor de rituelen van het Britse koningshuis ergert me nog meer. Waar is de brutale kunstenaar gebleven — ‘As a young musician, I felt it was my sacred duty to offend (…)’ Het ergert me des te meer omdat ik weet dat al die tralala hem geen soelaas zal brengen. Ook mijn moeder voelde zich erg betrokken bij evenementen van het koningshuis, ze ging trouw en enthousiast ter kerke en was druk met paternosters en wijwater in de weer, wat geenszins kon beletten dat de dood van haar dochtertje een doffe zwaarte over ons gezin gelegd heeft, zwaarte die nooit meer weggenomen werd. Voor de rest is ’t uiteraard niet aan mij om Nick Cave — of wie dan ook — een weg te wijzen, maar dat is die van mij:
‘Daarin bestaat nu de verzwegen vreugde van Sisyphus. Zijn noodlot hoort hem toe. Zijn rots is zijn zaak. (…) Dit universum, dat voortaan geen meester meer heeft, lijkt hem noch onvruchtbaar noch waardeloos. Ieder korreltje van deze steen, ieder splintertje erts van deze nachtdonkere berg, betekent, alleen voor hem, een ganse wereld. De strijd op zichzelf tegen de top is voldoende om het hart van een mens te vullen. We moeten ons Sisyphus als een gelukkig mens voorstellen.’ (°)
(°) Albert Camus. De mythe van Sisyphus. Een essay over het absurde. 206 pp. Uitgeverij IJzer. Nieuwe vertaling van Hannie Vermeer-Pardoen. 2019. “Het absurde ontstaat uit de confrontatie van de mens die vraagt, en de wereld die op een onredelijke wijze zwijgt.” Hoe moet ik leven, als ik mij nergens op kan beroepen? Dat is de vraag die Albert Camus (1913-1960) ons voorlegt in De mythe van Sisyphus. Een vraag die ook nu nog even indringend is als in 1942 toen Camus dat boek publiceerde.











