💦 FULL SET: Search/label/verhalenproject% . - Full Archive

Posts tonen met het label verhalenproject 2015-16.. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verhalenproject 2015-16.. Alle posts tonen

zondag 20 september 2015

De Oostendse viswijven

Oostende 1959. Een visleurster verkoopt haar waar aan Paula Deplancke (links) in de Werkzaamheidstraat. De kleindochter van Paula bezorgde de foto aan de Oostendse beeldbank en leverde daarmee een belangrijke bijdrage, want foto’s van viswijven, terwijl ze aan ’t werk zijn in de Oostendse straten, zijn schaars.
In ’t midden van de vorige eeuw waren er zo’n vijftig vrouwen die in Oostende met vis leurden. Sluiswachter op rust Pascal Decmyn herinnert ze zich nog goed, 't is van hem dat ik al 't onderstaande te weten kwam. 
Ze werden gemeenzaam de viswuven genoemd en mogen niet verward worden met de vissersvrouwen, al waren er overlappingen. Ze doorkruisten de stad met een steekkar: buitenkant groen, binnenkant wit. Onmisbaar was de ijzeren weegschaal en het bakje met gewichten. Bekende viswijven waren Manse Mus, Jeanne Tuier, den Uniprix (die goedkope vis verkocht), Achel, Willetje Drogebrood, Sprance… De viswijven hadden een eigen cultuur. Ze droegen twee, drie rokken boven elkaar, met daarbovenop een blauwe schort, Verder een hoofddoek, dikke kousen, klompen, rode zakdoek met witte bollen. Ze spraken veelal in verkleinwoorden: karretje, me pallulletje (echtgenoot) z’n schiptje, me pruumtje, e visje, e pientje… Een arbeidersvrouw werd steevast een slore genoemd en een burgervrouw was een kakmadam. Ze gebruikten allemaal snuiftabak, een snuuftje. Dat tabaksmeel werd met de vingers in de neus gebracht en diep geïnhaleerd, waarop veelal een niesbui volgde. Sommigen hadden neusgaten die zwart waren van de snuuftjes. Wanneer twee viswijven elkaar ontmoetten werd een snuuftje uitgewisseld, want er was er van soorten.
De karren stonden opgesteld langs de Visserskaai. ’s Morgens om vijf uur trokken de vrouwen naar de vismijn, sommigen deden het met de tram (die in die tijd tot vlakbij de vismijn reed), sommigen te voet. Ze hadden allemaal hun pangel bij de hand waarin tot veertig kilo vis kon. In de mijn kochten ze ‘vis-van-achter-de-planken’, vis die de veiling niet gepasseerd was. Tegen negen uur keerden ze, zwaar geladen, terug naar hun kar in de stad. En dan trok elkeen naar een eigen wijk, luid roepend: verse platjes zie, verse toengetjes zie (dat ‘zie’ stond voor 'zijn'; van bijvoorbeeld 'moet er garnaal zijn'.) En de verkochte vis werd in een krant verpakt, bijvoorbeeld in De Zeewacht.
De overheid probeerde met man & macht de verkoop van zwarte vis binnen de perken te houden. Daardoor zagen de viswijven zich onderworpen aan tal van reglementen die ze van de weeromstuit koste wat het kost probeerden te omzeilen. Wanneer er in de vismijn controleurs opdaagden waren de viswijven dan ook bijzonder op hun hoede. Zo is er de anekdote van een vrouw die in de vismijn betrapt werd bij het aankopen van zwarte vis. Ze vluchtte met pangel en al de duinen in en ze zat daar nog toen de controleur al lang weer naar huis was.
In de stad waren het dan weer politieagenten die ontweken moesten worden. Want die durfden al eens naar de aankoopfactuur te vragen en naar de leurderkaart. Een factuur kon zo’n wijfje meestal niet voorleggen en de kaart bleek al eens verlopen te zijn of ‘aangepast’ met een bic. Wanneer de agent daarvan een proces verbaal wilde opmaken, gingen de vrouwen in de tegenaanval. En dat ze zijn echtgenote wel zouden vertellen dat ze hem uit een bordeel hadden zien komen! Of die tactiek succes had, weet ik niet, maar de confrontatie zorgde ongetwijfeld voor veel ambiance.
De distributie via de viskarren had zo zijn eigen normen & waarden. Wanneer de vis schaars en duur was, viel er in de straatverkoop niet veel te verdienen. Sommigen kleefden dan loden gewichtjes onder de weegschaal, zodat het overgewicht een en ander goedmaakte. Wanneer de vis niet al te fris meer was, trok zo’n viswijfje al eens naar ’t slachthuis waar de mannen een snuifdoosje met vers koeienbloed vulden. Daarmee smeerde zo’n wijfje vervolgens de kieuwen in. Waardoor de klanten met eigen ogen konden zien hoe ‘levende vers’ die vis wel was.

vrijdag 18 september 2015

De merkwaardige lotgevallen van lichtmatroos Molfiet

[Een molfiet is de zeemansvariante van de zondebok.  Het woord wordt gebruikt om aan boord van 't  schip iemand aan te duiden die de schuld toegeschoven krijgt.]


De molfiet haalt zijn matras van boord. Die vangt een windstoot en hij sukkelt met matras en al in 't dok. Een half uur later voert een ambulance, met loeiende sirenes, de onderkoelde molfiet weg van de kaai. Een kruispunt, een bromfietser. De ambulancier drukt hard op het rempedaal. De ambulance slipt in een plas en draait rond zijn as. De draagbaar botst tegen de achterdeur die openschiet. De brancard vliedt uit de wagen. Dwars over het kruispunt volgt hij, op zijn kleine, bibberende wieltjes, cirkelend rond zijn as, een rechte lijn die bepaald wordt door de scheve toestand waarin de ambulance zich bevindt. De chauffeur ziet hoe de draagberrie een oud vrouwtje omver rijdt. Hij springt uit de auto, legt de aangereden vrouw bovenop de molfiet, schuift de brancard weer in de ambulance en rijdt de twee, met loeiende sirenes, naar de spoed. Doordat het vrouwtje òp hem ligt krijgt de molfiet weer warm, wat zijn herstel erg bespoedigt. Het vrouwtje daarentegen sterft enkele dagen later aan de emoties, maar niet voordat zij haar fortuin heeft nagelaten aan de molfiet, de laatste man die ze even toevallig als onverwachts heeft mogen berijden.
Flor Vandekerckhove


dinsdag 8 september 2015

De Roeschaard in de XXIste eeuw

DE ROESCHAARD WORTELT in Blankenberge waar hij in 1791 uit de as van een verbrande heks voortspruit: ‘Van dien dag af vertoonde Roeschaard zich onder alle gedaanten midden de Blankenberghsche bevolking en vooral onder de visschers. De hond veranderde soms in een kat, dan in een ezel en dikwijls in een visscher. Dikwijls gebeurde het dat hij de nachtrust onzer zeelieden storen kwam door te roepen dat er een storm op handen was. (…) Lag er een klein schuitje 's nachts kalm op zee, dan zag de waker den Roeschaard plotseling verschijnen. De kwelduivel kroop langs den zijkant uit de golven op, en deed door zijn zwaarte het vaartuig zoo sterk hellen, dat het bijna omsloeg. En met zijn geweldige “roes! roes! roes!” sprong hij dan weer te water.
 Trok men het net op, ten vischtijde, dan zat den Roeschaard er niet zelden in. Schaterlachend verscheurde hij de mazen en verdween in zee.
 Maar ook de visschersvrouwen ondervonden zijne plagerijen. 't Gebeurde dat er een kindje erbarmelijk nevens eene hut lag te schreeuwen. Een medelijdende vrouw nam het wicht op en verzorgde, haaide en laaide het, totdat... O schrik!... Wel Heere!... de vermeende vondeling luide begon te lachen, en met den kreet van “roes! roes! roes!” door de schouw verdween!’  
De grootste Vlaamse schrijver van vissersverhalen, Gaston Duribreux, heeft er zich dik zeventig jaar geleden ook over gebogen. In 1943 schrijft hij De Roeschaard. Maar de geest die Duribreux ‘uit de duinen, aan gene zijde van de haven’ — de Oosteroever — naar de Oostendse 'stadsvisschers' ziet overwaaien verschilt danig van wat daarover in Blankenberge verteld wordt. Zijn kwelgeest manifesteert zich niet als pakweg een kwade kabeljauw, wel als: ‘Hij dien men niet noemen mag’. De Roeschaard is een je ne sais quoi geworden, een vage dreiging: ‘Hij draagt hetzelfde witte gewaad dat tot aan den horizont het landschap omhult.’ Er hangt iets in de lucht! U kent de uitdrukking. 
Laat me eens kijken wat Duribreux er nog over zegt: ‘Bij elke dertiende seconde klieft de straal van den vuurtoren zijn sluierige gedaante; doch telkens, na een weifeling, hervormt hij zich en drijft verder. Boven de witgewuifde nokken van de huizen ontneemt de wind hem steun. Plots stuikt hij neer en wordt onzichtbaar’: de Roeschaard.


vrijdag 4 september 2015

Een dief ter zeevisserij

Vissers vinden soms antieke 
baardmankruikjes in hun netten.
Mijn laatste zeereis met een schip van Crops was memorabel. Ze hadden niemand kunnen vinden die Pincket wilde vervangen. Die was in volle zee over boord gegaan was en werd sindsdien vermist. Daardoor lag het vaartuig al een week lang doelloos tegen de kaai. Omdat een schip moet varen werd koortsachtig naar een oplossing gezocht en die werd ook gevonden.
Eindelijk kon het schip vertrekken. Op de kaai stopte de boevenwagen die de ontbrekende matroos uit de gevangenis naar ’t schip bracht. U kijkt verwonderd, maar het gebeurde in de jaren zestig wel meer dat veroordeelde vissers uit de cel gehaald werden. In zee kun je immers geen ontsnappingstunnels graven en zo’n gevangene is nuttiger aan boord dan in de cel. Hoe dan ook, de ploeg was nu compleet — eindelijk! — en we wachtten niet langer om uit te varen.
De nieuwe was van de westkust, we kenden hem niet en noemden hem gewoon de dief. We deden dat omdat we ervan uitgingen dat diefstal aan de basis van zijn veroordeling lag. Dat was uiteraard een beetje dwaas van ons, maar het was niet zo dat er over zo’n bijnaam lang & diep nagedacht werd. Iemand sprak die, meestal onnadenkend, voor ’t eerst uit en de naam werd door de rest spontaan overgenomen. De dief bleek niet kleinzielig te zijn, hij aanvaardde zijn bijnaam met de glimlach. Bleek ook dat hij een zeer goede visser was. De heenreis was mede daardoor voorspoedig verlopen, we waren de visgrond goed voorbereid genaderd en de vangst was meer dan voortreffelijk geweest.
Op de terugweg hadden we nog iets te regelen. Terwijl het schip werkeloos aan de kant was blijven liggen, had de schipper de baardmankruikjes verkocht die we de voorgaande reis hadden bovengehaald. Het had een flinke som geld opgeleverd. Het part van Pincket zou ‘s mans weduwe toekomen, die het nu zonder haar kostwinner moest stellen. De rest zou onder de mannen verdeeld worden.
Niemand had gedacht dat het had kunnen gebeuren, maar gebeurd was het wel degelijk. Onvindbaar! Het geld was verdwenen. De schipper zocht en zocht opnieuw, maar het geld was weg. Diefstal! Is het verwonderlijk dat iedereen meteen de dief verdacht? Neen toch, hij was nieuw, hij was de vreemde eend in de bijt, had zijn verleden en zijn naam tegen. Hij was niet betrokken geweest bij het bovenhalen van de kruikjes en hij zou bijgevolg evenmin in de opbrengst delenWe pleegden overleg en zorgden er uiteraard voor dat de dief daar niet bij betrokken werd. De mannen waren zeker van hun stuk, de dief had het gedaan, ze waren bedrogen en ze zonnen op wraak. Gelukkig kon de schipper hen daar van weerhouden: ‘De dief kan met dat geld niet weg. We laten hem niets blijken. Ik verwittig de wal wel.’ Dat is ook wat er vervolgens gebeurde, niemand liet iets blijken, we handelden de karweien af en voeren na achttien dagen uithuizigheid de haven weer binnen.
Daar stond niet alleen de boevenwagen de dief op te wachten. Ook de zeevaartpolitie was prominent aanwezig. Van zodra de man voet aan wal zette werd hij in de boeien geslagen. Terwijl wij naar de kroeg stapten, werd hij grondig gefouilleerd. Een half uur later kwam de schipper ons melden dat die fouillering niets opgeleverd had. De mannen begrepen er niets van, wat niet belette dat het bier rijkelijk bleef vloeien. Wat mij betreft was dat iets te rijkelijk, want ik verloor de zelfbeheersing waarover ik in nuchtere toestand nochtans beschik. Ik begon het ene rondje na het andere te trakteren. En toen ik ook nog voorstelde om de hoeren voor mijn rekening te nemen, had iedereen het wel door.
Het was nipt, maar ik kon nog net ontsnappen door op de pisbak te klimmen en over ’t muurtje te springen. Ja, ik zei toch al dat het een memorabele reis geweest was. En nu begrijpt u ook waarom ’t mijn laatste was.
Flor Vandekerckhove

woensdag 2 september 2015

Op zoek naar de Roeschaard

‘Men sprak van niet anders meer dan 
van de Roeschaard 
en zijn kwade perten.’ 
Afbeelding uit ‘Blankenberghsche Sage’ 
in Ons Volk Ontwaakt, 29 juni 1912.

De Roeschaard is van Blankenberge, de sage wordt in 1912 beschreven in Ons Volk Ontwaakt. In de Blankenbergse visserij, staat daar te lezen, wordt de Roeschaard voor het eerst ontwaard in 1791 in de vorm van een zwarte hond. Later neemt hij ook andere gedaantes aan: kat, ezel, visser, klein kind of grote kabeljauw. Hij is hoe dan ook altijd te herkennen doordat hij roes! roes! roes! pleegt te roepen en ook wel doordat hij tijdens zijn verschijning de neiging heeft almaar te groeien. Hij heeft veel netten gescheurd, boten laten kapseizen en vissers in ’t water getrokken. Men zegt dat het daardoor komt dat zoveel vissers van de oostkust een bijnaam hebben. Die zorgt er immers voor dat ze door de Roeschaard niet herkend worden, waardoor ze van zijn plagerijen gespaard blijven: ‘Van dan af ontstond het gebruik de visschers te herdoopen.’ Dat zou oorspronkelijk met zeewater gebeurd zijn, onder het uitspreken van een welbepaalde formule, die eveneens in dat tijdschrift vermeld wordt. : ‘Ik doop u, / En Roeschaard, / Die leelijkaard, / Keere zich om, / Romme, dom, dom, / Uw naam is ….’ 
Flor Vandekerckhove

zondag 23 augustus 2015

Hope uit de viswinkel




Rond haar hing de weeë geur van garnalen. Ik ging op de kruk naast de hare zitten en zei dat ik haar uit de viswinkel kende. 'Jij bent Hope', zei ik, 'jij bent de hoop van de vishandel.' Dat vond Hope geestig en we geraakten in gesprek. In de toenemende intimiteit van de nacht vertelde ik haar over mijn potentieproblemen. Hope zei dat ze daar wel raad mee wist en ik kreeg weer hoop. Het was al aan het dagen toen we naar haar flat trokken. Daar haalde ze alles uit de kast en toen ze ook een vis uit de winkel haalde, besefte ik dat ik beter naar huis ging. Helaas, doordat ze mij aan de bedspijlen vastgemaakt had, was dat geen optie.
Flor Vandekerckhove

dinsdag 18 augustus 2015

Over taboes en hoe ze ongestraft doorbroken worden

Een schip is als een vrouw, zegt de pastoor. Het meisje lacht. Echt, zegt hij, ik heb dat al veel horen zeggen, dat ze naar hun tweede vrouw gaan. Hij nipt van zijn glas. Ja, zegt het meisje, dat zeggen ze ook als ze naar ons komen
Tijd voor een nieuw rondje Tuborg. Een schip is meer dan een werktuig, zegt hij tegen een ander meisje dat om zijn aandacht vraagt. Daarom krijgt een schip ook een naam. Het wordt gedoopt en het krijgt een peter en meter. Dat toont aan dat het niet alleen maar werktuig is. Het meisje twijfelt. Mijn vibrator heeft ook een naam, zegt ze, hij heet Johny. De pastoor gaat daar niet op in. De vissers spreken over hun schip als over 'haar', zegt hij, terwijl het schip toch onzijdig is. De visvangst is trouwens een seksuele daad. De vissers bezwangeren hun schip met de vangst die in de buik — het ruim — geschoven wordt. In de visveiling wordt 'zij' van de vangst verlost, zoals een vrouw van een kind verlost wordt. 
Komt het daardoor, vraagt een meisje, dat wij ons, na ’t werk, niet op de pier mogen vertonen? Dikke Blomme zegt dat de vissers daar boos om zijn en dat het slecht is voor de zaken. 
Ja, dat klopt, antwoordt de reder die de meisjes betaald heeft, je mag geen vrouwen zien bij ’t vertrek naar de visgronden, dat leidt de aandacht af van ’t werk; dat is slecht voor de zaken. We nippen van ons glas. Op zee mogen de vissers maar oog hebben voor één vrouw, zegt de reder, en dat is het schip
Vraagt dat andere meisje: Waarom mogen de vissers ook geen varken zien als ze op weg zijn? Algemeen gelach. En Tuborg. Dat meisje heeft gelijk, zegt de pastoor, met waterige oogjes, varkens zijn taboe. Het woord taboe gaat van mond tot mond: taboe, taboe, taboe, taboe, taboe… Hola, zegt het ene meisje, je gaat vrouwen toch niet met varkens vergelijken zeker. Ik kan je verzekeren dat ’t vooral mannen zijn die… Maar de pastoor heeft een verklaring: Varkens hebben twee tenen, zoals de duivel, da’s dus geen goed teken. 
Een visser roept: Je mag ook geen katten zien. 
De pastoor knikt: Katten doen aan heksen denken, net als kraaien en raven. Slecht teken! We drinken Tuborg. En dan roept een andere visser: Eenden! Eenden mag je ook niet zien! De visser die al zo’n beetje overal geweest is, roept ook: Op de Shetlands mogen we geen palingen en otters zien en in Schotland moet je zorgen dat je blik geen zeehond kruist. 
De pastoor knikt, hij ziet er moe uit: In Texas mogen de vissers geen alligator zien en in Zweden heerst er een taboe op kikkers. Zijn stem lispelt: Dat zijn allemaal dieren die de grens tussen land en water kunnen overschrijden, ze zijn dus ambigu en daarom taboe. De twee meisjes zitten nu op de schoot van de pastoor. Het linkse meisje zegt zachtjes in zijn oor: Ambigu, ja, da’s een mooi woord en taboe da’s ook een mooi woord. Het rechtse meisje zegt: Mag ik straks ook eens ambigu zijn en je taboe afzuigen?
Dit is het moment waarop ik in actie moet treden. Daarom heeft de pastoor me met hem mee gevraagd, om de kerk in ’t midden te houden, iets waar ik bekend voor ben. Ik sta op en zeg kordaat: Straks vaart Patten uit! Gaan we hem uitwuiven? 
De meisjes vinden het een goed idee, want ze zijn toch al betaald. Ook de vissers vinden het oké. Alleen de pastoor twijfelt, maar ik help hem over die twijfel heen door hem zijn jas aan te reiken.
Een vreemd gezelschap is ‘t, dat daar bij ’t krieken van de dag de pier opstapt, de pastoor met aan elke arm een jonge vrouw, met kleren die van lichte zeden getuigen; de reder die zijn kat gestuurd heeft en een bende vissers die elkaar de paling doorgeven die ik een vroege visboer ontvreemd heb. Helemaal op ’t einde van de pier wachten we geduldig op ’t schip dat straks van achter de sluisdeuren zal opdagen. De pastoor heft een lied uit de Carmina Burana aan, de vissers roepen: Dáár! Daar is zij! En dan glijdt het schip van Patten voorbij, sierlijk als een mooie vrouw die met een perfecte zwemslag door de golven klieft, rijp om uit het zicht van ’t land bezwangerd te worden. We joelen en juichen. De meisjes ontbloten hun borsten, een visser steekt de paling omhoog, ik roep: Patten, kijk, kijk, er staat een pastoor op de pier! Patten zwaait ons lachend toe. Hij roept iets wat we niet verstaan en toont ons dan zijn bloot gat. Terwijl het schip onverstoorbaar zee kiest, staren wij het na. Het feest is afgelopen. De meisjes knopen hun blouses dicht en terwijl we op onze schreden terugkeren neemt de pastoor ons de biecht af. 
Morgen weer!

Flor Vandekerckhove


[Dit stuk maakt deel uit van een verhalenproject waarbij ik versteende vissersverhalen weer tot leven probeer te wekken. Wie er meer wil lezen kan hier klikken, op die plek worden er een twintigtal vermeld.]

woensdag 12 augustus 2015

Het bal der mannen



Wie het Bijbelse verhaal van de tweelingbroers Ezau en Jacob kent, weet dat er twee soorten zijn, jagers en kwekers, en dat de eersten hun voorrangsrecht verkwanseld hebben in ruil voor een bord soep. De mythe van de tweelingbroers verhaalt de overgang van de jachteconomie naar die van de landbouw, een momentum dat ons 10.000 jaar in de tijd terugwerpt. En dit is wat de Oostendse Oosteroever zo apart maakt: daar, en daar alleen, bevindt zich het kwijnende nageslacht van de jager Ezau. Daar, in het hart van de Oostendse visserij, zie je de restanten van een jagerseconomie die ooit over de wereld geregeerd heeft. De vissers zijn de economische telgen van een oervader die 10.000 jaar geleden in het zand bijt. Het belet die telgen niet om ook vandaag nog op pad te gaan om, tegen beter weten in, op voedsel te jagen.
Die afstamming heeft aan de Oosteroever zijn uitdrukking gevonden in merkwaardige rituelen & gebruiken, in aparte lichaamstooien, in liederen & verhalen en in een letterlijk ongezien feest dat Het bal der mannen heet. Dat er van dat feest nauwelijks sporen bestaan is zowel verwonderlijk als begrijpelijk. Verwonderlijk, omdat Het bal der mannen uniek is in de cultuurgeschiedenis; bijgevolg een cultureel erfgoed is dat kan tellen. Begrijpelijk, omdat er op Het bal der mannen geen pottenkijkers geduld werden.
De jagersmaatschappij is er een van mannen. Uiteraard zijn er op de Oosteroever ook vrouwen, ze zijn onmisbaar, maar vooral onzichtbaar. Op welbepaalde momenten mogen ze zich geenszins vertonen. Dat geldt wanneer een schip ter visserij vertrekt. In de antropologie heet het dat er een taboe op vrouwen rust. Het bal der mannen is daar de culturele uitdrukking van. De scheepsbouwers nemen het initiatief en nodigen uit ten dans. Die invitatie geldt uiteraard niet voor vrouwen, anders zou Het bal der mannen een contradictie zijn. Het zijn de vissers die de vrouwenrol op zich nemen en zich door de scheepsbouwers laten uitnodigen. Wat meteen verklaart waarom pottenkijkers geweerd worden, buiten de jagersgemeenschap zou die praktijk zekerlijk verkeerd geïnterpreteerd worden.
Tot het midden van de jaren vijftig is het gemakkelijk om Het bal der mannen uit het zoeklicht weg te houden, in die tijd kent iedereen zijn plaats en wie daar niet nodig is, mijdt de Oosteroever. Die toestand is niet blijven duren. Opmars van de sensatiepers, toename van de massacommunicatie, concurrentie tussen de media, toegenomen maatschappelijke mobiliteit, ontkiemen van het feminisme, ongebreidelde consumptiedrang, stichting van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal, democratisering van het onderwijs, groeiende verkoop van personenauto’s, ontkerstening, explosie van het toerisme… Dat alles maakt dat de Oosteroever almaar minder geïsoleerd komt te staan.
In het midden van de jaren vijftig is Het bal der mannen voor ’t laatst doorgegaan, wellicht op de scheepswerf van Panesi aan de Nieuwe Werfkaai. Op dat bal gebeurt er helaas iets wat nooit eerder gebeurd is: iemand maakt een foto! Spijtig, zodra de vissers dat te weten komen, weigeren ze verder aan Het bal der mannen te participeren, ze gaan niet langer in op de uitnodiging ten dans en trekken zich terug in etablissementen als De Middenclub en 't Veegeetje. De scheepsbouwers proberen om er toch mee door te gaan en dansen nog een stonde met elkaar, maar iedereen weet dat het einde van een lange traditie nakend is. De foto maakt komaf met het meest merkwaardige feest dat de vissersgemeenschap aan de Oosteroever gekend heeft.
[In het Oostendse Stadsmuseum (Langestraat 69) leiden objecten, affiches, documenten en multimediatoepassingen je door het boeiende levensverhaal van de stad. Ze onthullen de geheimen achter de stadsontwikkeling, het toerisme, de visserij, de haven en de scheepvaart. Op zaterdag 15 augustus stelt het museum, van 18 tot 22 uur, gratis zijn deuren open. Flor Vandekerckhove leest er om 18,30 – 19,30 en 20,30 zijn vissersverhalen voor.]

dinsdag 11 augustus 2015

Lezingen



In het Oostendse Stadsmuseum (Langestraat 69) leiden objecten, affiches, documenten en multimediatoepassingen je door het boeiende levensverhaal van de stad. Ze onthullen de geheimen achter de stadsontwikkeling, het toerisme, de visserij, de haven en de scheepvaart.
Op zaterdag 15 augustus stelt het museum, van 18 tot 22 uur, gratis zijn deuren open. Flor Vandekerckhove leest er om 18,30 – 19,30 en 20,30 zijn vissersverhalen voor.
Een kwarteeuw lang gaf Flor Vandekerckhove Het Visserijblad uit. Al die tijd bracht hij verslag uit over het reilen & zeilen van de Vlaamse visserij. Gaandeweg ondervond hij dat de wereld van de laatste Vlaamse jagers niet uitsluitend op een journalistieke manier benaderd mocht worden. Wilde je de visserij ten volle begrijpen dan moest je er ook ‘het imaginaire’ bij betrekken. Dat deed hij door verhalen te schrijven die zich in dat milieu afspelen, waarvan de roman Amandine (2012) het kroonstuk was.
Nog steeds bouwt Vandekerckhove verder aan zijn visserijvertellingen. Hij doet dat in twee blogs (De Laatste Vuurtorenwachter en Het Voorlaatste! Visserijblad) en in Lapkoes, een wekelijkse column in het weekblad De Zeewacht. Zijn verhalen wortelen in een lange traditie van volksvertellingen waarvan het waarheidsgehalte twijfelachtig is.

zondag 9 augustus 2015

De derde man

De feiten zijn niet meer te controleren, maar dat belet niet dat we
ons een beeld van de schippersvrouw kunnen vormen.
We bevinden ons in een tijd waarin er een groot tekort aan vissers is, een bemanningstekort. Schippers die er alles aan doen om hun schip varende te houden hebben hun mannen dan niet voor ’t kiezen. Ze moeten nemen wat er is en soms is dat een matroos die onbekwaam is, soms is ‘t een mens waarvan je weet dat hij de sfeer aan boord verpest, soms is het een persoonlijke vijand. Dat laatste is het geval in dit verhaal. Aan boord bevindt zich de minnaar van de schippersvrouw. 
In het hoofd van de schipper rijpt een plan dat hij, drie dagen later, dicht tegen IJsland, ten uitvoer brengt. De minnaar loopt de hondenwacht. De rest van de crew slaapt. Kort voor de wissel van de wacht slaat de schipper zijn rivaal de kop in, smijt hem overboord en kruipt weer in zijn kooi. Huwelijk gered! Wanneer de wacht wordt afgelost is de minnaar onvindbaar. Er wordt alarm geslagen, de man wordt als vermist opgegeven en zal nooit weergevonden worden. Man over boord, da's erg, maar het gebeurt wel meer.
Het schip vaart verder, vangt in korte tijd buitengewoon veel vis, keert weer naar huis. Daar wordt een onderzoek gestart, de crew wordt ondervraagd, niemand weet wat er gebeurd is, de schippersvrouw houdt de kiezen op elkaar, de daad blijft ongestraft… Maar niet helemaal.
De bemanning wordt weggekocht door andere reders. Da's ook gemakkelijk te verklaren, als je 't voor 't uitkiezen hebt, ga je voor een schip waar niemand overboord gegaan is; je kunt dat bijgeloof noemen, maar 't getuigt vooral van gezond verstand. De stuurman trekt naar hier, de motorist naar daar, de scheepsjongen naar ginder, een matroos vindt links werk en een andere rechts. Het vaartuig blijft zonder bemanning achter. Het ligt aan de kaai. Da’s erg, dat is roestend kapitaal, dat is een lening die niet afgelost wordt, dat is de bank die de schipper meedeelt dat diens vaartuig aan de ketting wordt gelegd. Dat is een schipper die geen uitkomst meer ziet, begint te drinken en in dronken toestand wartaal uitkraamt over een passionele moord die hij gepleegd heeft; een verhaal waarbij de enen met hun wijsvinger tegen ’t hoofd tikken en de anderen met hun ogen rollen. Zo’n vissersvaartuig dat aan de kant blijft liggen, da’s ook een curator die met het faillissement van de rederij belast wordt en er met de schippersvrouw vandoor gaat.

[Dit stuk maakt deel uit van een verhalenproject waarbij ik versteende vissersverhalen weer tot leven probeer te wekken. Wie er meer wil lezen kan hier klikken, op die plek worden er een twintigtal vermeld.]

vrijdag 7 augustus 2015

Elooi Valke en zijn vrouw



Opeens gebeurt het dat Elooi Valke omhoog gaat. Hij stijgt boven ons uit, als een Christus die ten hemel vaart. Valke stijgt gestaag, keert zich al stijgend om en zet zich als een vlieg, op handen en voeten, tegen ’t plafond. Hij kijkt lachend naar beneden, verliest zijn pet, zet zich schrap en schiet vervolgens dwars door de openstaande poort naar buiten. De complete stilte waarin dat alles gebeurt, wordt vervolgens aan stukken gereten door mevrouw Valke die onbedaarlijk begint te lachen. Ze lacht op een manier die moeilijk te omschrijven valt, in elk geval zeer aanstekelijk is, zodat ook wij op den duur beginnen lachen, een lach die almaar toeneemt tot wij allen uitzinnig met mevrouw Valke meelachen. Onze lach botst tegen het metaal dat overvloedig in Valkes loods aanwezig is en kaatst dan terug, tot in onze lendenen; in de eerste plaats in die van mevrouw Valke die van al dat lachen… klaarkomt. Mevrouw Valke bereikt haar hoogtepunt, net zoals Elooi dat eerder al gedaan heeft. Voor ons is het daarmee tijd om weer eens op te stappen. Waarna het leven op de Oosteroever zijn gewone gangetje herneemt: ’s nachts lost men de vangst en overdag lapt men de schepen op met ijzerwaren van bij Valke, huis van vertrouwen.

Flor Vandekerckhove


[Dit stuk maakt deel uit van een verhalenproject dat ik opgestart ben en waarbij ik versteende vissersverhalen probeer tot leven te wekken. Wie er meer wil lezen kan aan de rechterkant van de kolom op het label 'Verhalenproject 2015-16' klikken; daar staan er al een twintigtal.]

donderdag 6 augustus 2015

Dit is een aankondiging

— De Hendrik Baelskaai, deel van de Oosteroever in Oostende, het verleden in vager wordend sepia en een rooskleurig getekende toekomst —

ER IS iets met het gebied in Oostende dat nu Oosteroever heet, de kant aan gene zijde van de geul, het gebied dat door de haven van de stad gescheiden wordt, en niet alleen in afstand. Maar, vraagt een mens zich af, is er dan ook een Westeroever? Dat blijkt niet het geval, toch niet in Oostende waar men dat begrip niet kent. Daar heet deze zijde gewoon de stad. Mmmm, behoort de Oosteroever dan niet tot de stad? Laat het ons bekijken.
De grond is lange tijd gebied van de naburige gemeente Bredene geweest. Het is pas in 1897 dat het daar helemaal Oostende wordt. In die tijd spreekt men nog over Liefkemores, een gepolijste versie van lisjemorre, verwijzend naar lis & modder; geen stad dus. Later wordt het bebouwd en vuurtorenwijk genoemd, een negerdorp; geen stad! Nog later wordt het de biotoop van de laatste Vlaamse jagers, de vissers, die uit de stad verstoten worden, wanneer het toerisme er de zaak in handen neemt. En altijd is er dat gevoel: dit staat los van de stad, dit is anders.
Ik ben er in 1988 gaan wonen. Toen ik er acht jaar later weer vertrokken ben, heb ik het karakter van die plek proberen te beschrijven. 1996: ‘Een sportterrein naast een baggermaatschappij, naast een verlaten militaire basis. Scheepswrakken waarop verstotenen der aarde komen overnachten en vrijen, spuiten ook. Dingen die het daglicht niet mogen zien, een vuur dat in de duinen aangestoken wordt. Vreemde vogels en dwergkonijnen aldaar achtergelaten door stedelingen. Wat is het verband tussen dat alles of het zou ikzelf moeten zijn? Waarom ga ik daar dan weg? Zeker, er staat schimmel op de muren van het huis waarin ik woon, houtrot maakt dat ik de ramen niet open krijg en deze die helaas open staan niet dicht. Wat heeft de deur dichtgedaan? De schoorsteen die aan diggelen valt? Of is ’t de niet aflatende aanwezigheid van… laat ons ze initiatiefnemers noemen. De Europese Unie die geld heeft om het gebied een nieuwe bestemming te geven; promotoren die de dingen opkopen; politici die de leegte met macht bedekken; de jachthaven die er vroeg of laat zal komen en daarmee ook de winnaars van de rat race die hun tupperware-boten tegen de kaai gaan leggen, vlak voor de gebouwen die niet langer lege pakhuizen zullen zijn…’ Ik herlees die woorden en weet waarom ze ontoereikend zijn. Ik heb iets achtergehouden, iets verzwegen; er is iets wat ik in 1996 nog niet mag zeggen.
Gisteren ben ik er nog eens langs gefietst. De plek, zoals ik die gekend heb, bestaat niet meer. Een verhaal is afgelopen, een boek werd dichtgeklapt. En kijk, het grote vergeten is al begonnen. Wie kent het verhaal van Valke nog, toentertijd mijn buurman, die kon vliegen? Wie kan het epos van Rooie Machteld navertellen? Hebt u al gehoord over die merkwaardige dag waarop elk vissersschip een man te kort kwam? Wie herinnert zich het mannenbal, een traditie waarbij scheepsherstellers de vissers ten dans vragen? Wie zal zich de vrouw herinneren die klaarkomt van het lachen? Wie weet nog hoe het er in het zwarte café aan toegegaan is? (En dat is nog maar datgene wat spontaan in mij opwelt!) Nu het allemaal voorbij is, nu de Oosteroever stad geworden is, nu ook dit deel van de wereld onttoverd wordt, mag ik het geheim ontbloten. Deze blog zal u inleiden in de Geheimen van de overkant. Kortelings op dit scherm! Komt dat zien! Komt dat zien!

[Dit stuk maakt deel uit van een verhalenproject dat ik opgestart ben en waarbij ik probeer versteende vissersverhalen tot leven te wekken. Wie er meer wil lezen kan aan de rechterkant van de kolom op het label 'Verhalenproject 2015-16' klikken; daar staan er al een twintigtal.]

dinsdag 28 juli 2015

Plechtigheid

Op deze foto uit 1963 zien we jonge vissers die in café Zephir deelnemen aan het uitgangsleven. Van links naar rechts, Staand: Ronny Victor en Maurice Devaux; zittend: Marcel Mille, cafébazin Antje, Eddy Serie, Maurice Zanders, Diane de zuster van de waardin, Redgy Goes en Ronny Deschepper. De foto komt uit een reportagereeks over Oostendse visserscafés die oud-visser Eddy Serie voor Het Visserijblad schreef. De reeks verscheen in de jaargang 2011 van dat blad. In die krantenstukken had Serie het zijdelings ook over jeugdbendes en over confrontaties met zeemachtmatrozen. Onderstaand verhaal is evenwel volledig fictief. Het past in een project waarin ik probeer om oude vissersverhalen weer tot leven te wekken. Wie er meer wil lezen, kan rechts van deze blog op het label ‘Verhalenproject 2015-16’ klikken. (Foto collectie Eddy Serie.)

De plechtigheid, waarvoor ze nochtans speciaal aan wal gebleven waren, was in ‘t water gevallen en nu zouden ze zich bezatten. Dat deden ze om te beginnen in de wijk Hazegras — In Oostende zeggen ze óp 't Hazegras —  bij Mong van The Blues. De diensters droegen er korte rokken, strakke blouses, nylons met een zwarte naad en pumps. En ze waren even toegeeflijk met hun lijf als de vissers gul met geld waren. Het bier had rijkelijk gevloeid en de meisjes hadden de mannen danig opgehitst. Van The Blues ging het de stad in, naar de Rembrandt, want ook daar zaten meisjes klaar om de jonge vissers met open armen te ontvangen. Tijd om de Montmartrewijk op te zoeken, de Saint-Tropez en de Turf. En weer ging het verder. Straat na straat, kroeg na kroeg, groeide de groep. Tegen de tijd dat ze de Langestraat bereikt hadden was de bende vijftig man sterk geworden; luidruchtig, rood aangelopen jongens, hitsig, dronken en tot alles bereid. En het was in ’t hart van de uitgangsbuurt dat ze opeens tegenover de matrozen van de marine kwamen te staan. Ook voor hen was de plechtigheid een slag in ’t water geweest, ook de miliciens hadden hun frustratie in een lange kroegentocht weggespoeld, ook zij hadden zich door te kortgerokte diensters laten opzwepen en ook zij waren tot alles in staat. Daar stonden ze nu, recht tegenover elkaar, met daartussen een niemandsland van hooguit vijftig meter; langs de ene kant de vissers, vol misprijzen voor de matrozen van de marine, waarvan ze zeiden dat het dilettanten waren. Daar tegenover, de marineblauwe miliciens van de zeemacht die met groot misbaar hun misprijzen toonden voor het zootje ongeregeld dat zo’n bende vissers was. Kroegbazen haastten zich naar buiten om de terrasstoelen binnen te halen, passanten haastten zich naar binnen om buiten niet in de brokken te moeten delen, want dat er geweld in de lucht zat wist iedereen; een dreigende hitte die niet afgekoeld kon worden door de regen die met bakken op verwilderde jongemannen viel die al bezig waren hun prille borsthaar te ontbloten. Er werd geroepen en er werd gesmeten met wat voor handen was: een fiets, een reclamebord, een fles, een losliggende stoeptegel, een glas… Iemand knipte een zakmes open. Onder het toenemende lawaai van wederzijdse verwensingen schoven ze, voetje voor voetje, dichter naar elkaar toe. En opeens barstte het los, een gevecht dat nauwelijks enkele minuten duurde, omdat het al meteen onderbroken werd door de plotse komst van de militaire politie. In een mum van tijd waren alle jongens verdwenen, als waren ze weggespoeld door de overdadige regenval. Maar in ’t midden van de straat, vlak voor de dancing die Van’s heette, bleef er één roerloos liggen. Een messteek, een bloedplas. De vissers, die solidair met de marinesoldaten de kroegen ingevlucht waren, keken van achter de ramen naar het slachtoffer dat hen onbekend was. Het was geen visser en een zeemachtmatroos was het evenmin, het was niemand. Lang kon je evenwel niet blijven kijken, want de Langestraat zou door de gendarmerie afgesloten worden; iedereen vluchtte nu ‘t nog kon.
In de verte klonk al gauw het klagende geluid van de sirene, maar toen de ambulance op de plaats van het delict kwam, bleek dat het slachtoffer verdwenen was; waarheen wist niemand. Terwijl de nacht over de stad viel, legde een loden stilte zich over het uitgangskwartier. Over het slachtoffer werd gezwegen, geen enkele kroegbaas had iets opgemerkt, de meisjes verklaarden dat ze geen van al die jongens kenden, geen enkele vechtersbaas werd aangehouden, het onderzoek leverde niets op. Niemand werd als vermist opgegeven, niemand was verdwenen. Er was wel een bloedspoor dat, vlak voor de regen het had kunnen wissen, opgemerkt werd door een schipper. Hij had het spoor gevolgd dat hem naar de haven leidde. Daar ontwaarde hij, in ’t nachtelijke duister, een naamloos scheepje dat de stoplichten op de pier negeerde en traag het zeegat tegemoet voer. Via de luidspreker hoorde hij de stem van de havenkapitein die het een halt toeriep. Niemand reageerde. De havendiensten richtten hun zoeklicht op het vaartuig, waardoor de schipper zag dat niemand aan het roer stond. Onverstoorbaar, als de veerman die de Styx overstak, voer niemand naar gene zijde van ’t bestaan.
Flor Vandekerckhove



Café Vieux Temps, 1965. Van links naar rechts: Eric Van Sevenant, Willy Maleys, Redgy Goes, Eddy Serie, Maurice Zanders, Lucien Desomer en de dochter van de waard, Marie-Jeanne. (Foto collectie Eddy Serie.)

maandag 20 juli 2015

Epifanie


Tekening Liesbeth Lambrecht (http://www.botervlieg.be)
De schipper is vandaag in ’t zothuis opgenomen.’ Het was de waard die het me zei: ‘Ze hebben hem moeten wegvoeren, want hij was met een geweer aan ‘t zwaaien.’ Met dat geweer werd hij opgepakt in een winkelwandelstraat waar hij had staan roepen: ‘Het is de hand, het komt door de hand, het is de hand!’ Daar moesten ze in 't café hard om lachen, maar voor mij was het een buitenkansje. Hier lag een verhaal klaar om geschreven te worden. Ik dronk mijn glas leeg en vertrok.
De psychiatrische afdeling van het ziekenhuis was me niet onbekend en ik leidde mezelf vlot naar zijn kamer. Hij leek blij me te zien — ‘Ha, daar is onze gazettenschrijver!’ —  en ik vroeg hem onomwonden wat er gebeurd was. Hij omklemde mijn pols en zei: ‘Ik heb de hand aan ’t werk gezien. De hand. We moeten… Ze moeten weten dat… dat het de hand… Je moet het schrijven… Je moet hen verwittigen… Het komt door de hand.’ Ik haalde mijn notitieboekje boven en vroeg of ik hem enkele vragen over die hand mocht stellen. ‘Ja’, zei hij, ‘je bent van de gazet. Je moet schrijven… zeg… zeg dat het door de hand komt.’ Ik verplichtte mezelf om ernstig te blijven en vroeg: ‘Heb je die hand vroeger al opgemerkt of is ’t iets dat er pas onlangs gekomen is?’ Daar had hij vroeger geen oog voor: ‘Omdat ik geen tijd had… maar toen ze ’t schip aan de ketting legden… toen zag ik het meteen… dat het de hand was… Dat was de hand.’ Wellicht door de medicatie die men hem gegeven had was de schipper alweer moe aan ’t worden. ‘Hij vernietigt ons’, zei hij nog, ‘hij brengt ons naar de kloten.’ Ik had nog een vraag: waarom doet die hand dat? ‘Omdat het de hand is,’ zei de schipper, ‘da’s de aard van het beestje.’ Op dat moment kwam de psychiater de kamer binnen. Ik maakte er dankbaar gebruik van om mijn notitieboekje dicht te klappen. Omdat het me na dat gesprek geen goed idee leek om de schipper een hand te geven, nam ik haastig afscheid.
In de auto, op de terugweg naar het café, begon ik te begrijpen wat de schipper me had willen zeggen. Hij had een openbaring gekregen, een epifanie. Hij was plotsklaps tot het inzicht gekomen dat we slachtoffers van de markt waren: de onzichtbare hand van de markt!  Ik opende de deur, keek naar de vragende gezichten aan de tapkast en zei: ‘De schipper is nog nooit zo normaal geweest als nu.’  Daar moest de waard om lachten. ‘O ja,’ zei hij, ‘Als de schipper zo normaal is, waarom zit hij dan in ’t zothuis?’ Ik schraapte mijn keel en zei: ‘Dat komt door de hand.’
Flor Vandekerckhove


[Ook dit is een verhaal dat in het kader past van mijn ‘Verhalenproject 2015-16’. Het is de bewerking van een langer verhaal dat ik eerder geschreven heb. Onder de titel Epifanie heb ik nu het herwerkt en vooral fel ingekort. Wie meer wil weten over het verhalenproject, krijgt daar meer uitleg over door hier te drukken, of daar en ook hier.]